
Vroeger vond de regering dat er wel gerookt mocht worden in cafés en restaurants (de horeca). Maar in de horeca werken ook mensen en die hadden daardoor geen rookvrije werkplek.
De gezondheid van iemand die in de horeca werkt is natuurlijk net zo belangrijk als die van een ander. En frisse lucht is ook goed voor de klanten. Daarom mag er in de horeca sinds 2008 niet meer worden gerookt.
De meeste mensen zijn het eens met deze regel. Zij zijn blij dat je in cafés en in restaurants niet meer mag roken. Minder mensen worden ziek door het roken en meeroken. Een minderheid is ertegen. Zij willen juist dat je in cafés en in restaurants wel mag roken. Ze vinden het niet leuk om even weg te moeten voor een sigaret.
Sinds 1990 hebben mensen in gebouwen van de overheid recht op een rookvrije omgeving. Er moet een rookverbod zijn. Voor andere openbare gebouwen zijn er dezelfde regels als voor de overheidsgebouwen. Bijvoorbeeld voor ziekenhuizen, buurthuizen, jeugdcentra, bibliotheken, kinderopvang, scholen en verpleeghuizen.
Sinds 2008 horen de musea, de theaters en alle sportclubs daar ook bij. Tot slot zijn toen ook de overdekte winkelcentra, evenementenhallen, congrescentra en luchthavens rookvrij geworden.
Ook winkels moeten rookvrij zijn. Want een winkel is meestal ook de werkplek van iemand. Bijvoorbeeld van de kassière. Zij heeft recht op een rookvrije werkplek.
In een winkel zonder personeel mag de baas ervoor kiezen om roken toe te staan.
Dit mag alleen niet als de winkel in een overdekt winkelcentrum zit. Want daar is roken overal verboden!
Een klant van een winkel (of van bijvoorbeeld een kapper) heeft zelf geen ‘recht’ om rookvrij geholpen te worden.
