Jongeren: Waar ging het mis?
Vul bij elke gebeurtenis in hoe vaak dit voorkomt: 1 = nooit, 2 = bijna
nooit, 3 = soms, 4 = vaak, 5 = altijd
 
1
2
3
4
5
1.
Ik ben boos op mezelf als ik aan mijn rookgedrag denk
2.
Ik denk dat ik zelf kan bepalen zelf of ik rook of niet
3.
Ik let erop dat ik geen dingen in huis heb waardoor ik aan roken moet denken
4.
In plaats van roken sport ik
5.
Mensen in mijn omgeving laten merken dat ze het fijn vinden dat ik niet rook
6.
Ik merk dat het mensen die ik goed ken niet uitmaakt of ik wel of niet rook
7.
Ik denk dat ik pas tevreden kan zijn over mezelf als ik niet rook
8.
Ik denk dat ik kan stoppen als ik dat wil
9.
Op school of op mijn werk zorg ik ervoor eraan herinnerd te worden niet te roken
10.
Ik doe iets met mijn handen in plaats van roken
11.
Ik beloon mezelf voor het niet roken
12.
Ik heb aan iemand in mijn omgeving verteld dat ik gestopt ben
13.
Ik vind dat roken niet goed past bij wie ik ben
14.
Ik zeg tegen mezelf dat ik van de sigaretten kan afblijven, als ik er maar moeite voor doe.
15.
Ik let erop dat op mijn werkplek/school geen dingen zijn die me aan roken doen denken
16.
Als ik in de verleiding ben om te roken, denk ik aan iets anders
17.
Ik verwacht dat ik door anderen word beloond als ik niet rook
18.
Ik kan met iemand praten over mijn rookgedrag
19.
Ik voel me teleurgesteld in mezelf omdat ik niet zonder sigaretten kan
20.
Ik maak afspraken met anderen om te stoppen
21.
Thuis zorg ik ervoor dat ik eraan herinnerd word om niet te roken
22.
Ik doe iets anders dan roken als ik wil ontspannen
23.
Ik word beloond door anderen als ik niet rook
24.
Ik kan rekenen op iemand die me helpt als ik problemen heb met roken